logo Slow Writing Lab

Platform voor jong schrijftalent

Zesluik - 03.11.2016

1.
1980. Op de klokslag van een seconde stopt het hart van een man in zijn stoel. De thee in een beker wordt sterk, bitter en koelt af. De kamer wordt warmer, benauwd en langzaam donker. Later het trillen van een mobiele telefoon op de houten kast. Het duurt lang. De telefoon valt eraf. Uren nadat een vogel tegen het raam vliegt, rammelt de voordeur. De klep van de brievenbus klingelt. Een krant smakt met een klap op het parket. Een witte vlek in de vorm van een vleugel zit nu op het raam.

2.
De man ligt in zijn stoel. Fel zonlicht toont duizenden rondcirkelende stofdeeltjes in de kamer. De borstel van een glazenwasser wordt op het raam gedrukt. Met sop verdwijnt de vlek van de vleugel.

3.
2012. Een deur trilt achter hem dicht. De bus rijdt rammelend weg. Een eindeloze stille zandvlakte. Resten kleurige bloemblaadjes tussen het stof onder zijn schoenen. Een fietser houdt hijgend naast hem halt, stapt van zijn zadel, corrigeert het en rijdt door. Richting een groot omheind kerkhof recht voor hen. De fietser legt een lange baan van stofwolk aan. Die volgt hij. De woestenij rondom de omheining is parkeerterrein, waar jonge kinderen ook hun vlieger oplaten. Oma’s houden hen vanachter glimmende zerken in de gaten. Als het kaarsje bij de bloemen aangestoken mag, laten de kinderen hun tuig even vallen. Ze rennen om ter snelst door ‘t stof, de rare tuin vol scheve stenen in.  

4.
Als ik door de lens van mijn camera kijk zie ik niks. Dan haal ik de dop eraf. Een auto komt in razend tempo door het zand en stof recht op me af gereden.

5.
Toeterende auto’s. Rammelende trucks. Moeders die hun kinderen roepen. Een meter boven straatniveau ligt het kerkhof. Een bemost stil dorp te midden asfalt. Via verschillende trapjes te bereiken. Aan een stoplicht beklimt hij de plek. Chauffeurs staren hem uit hun raampjes na. Ze lijken bezorgd te zijn. Te roddelen over zijn plannen. Plots loopt hij over zachte lagen blad, gras, mos, zand en stof. Tussen zerken van een eeuw of gisteren nog. Twee gemeentewerkers die boterhammen eten in hun geparkeerde wagentje. Turend naar de drukte, beneden om hun werkveld heen. Stil zijn stond strikt in hun contract vermeld. Hij haalt een papier uit zijn jaszak. Ryszard Zebrowski. Torún, 1928.

6.
Onze handen knijpen in elkaar. Glibberig van dikke regen die op onze huid valt. Hoe harder we rennen, hoe minder ze aan thuis denkt. Aan mama die haar in een dikke trui wikkelt. Tegen haar borst drukt. Ze huilt, maar ik heb oortjes in. Een piano song. Scherend langs de ruggen van net afgewerkte mannen, met jas en paraplu van hun bedrijf. Stil walsen we door hun gesprekken heen. Profiteren van hun droge aura’s. Haar haartjes hangen in slierten voor haar ogen. De solo van mijn piano song zet in. In de steegjes toetsen we of ons doel nog geldt. Achter de stadsmuur ijs halen bij Lenkiewicz. Waar één bol er eigenlijk drie zijn. De klok van een kerkje klinkt. Mijn muziek wordt er lelijk van. Rondom ons is de dresscode plots Victoriaans zwart. Haar natte hoofdje tegen mijn zij gedrukt. We moeten trager nu. Een schaduw aan nabestaanden omklemt ons. Ze zingen. Geluidloos met bewegende lippen. De melodie van mijn piano song probeer ik in hun monden te passen. De meesten lopen krom in zichzelf gekeerd. Eentje stapt met rechte rug en kijkt omhoog naar de lucht. Zijn tranen blijven liggen op zijn oogwit. Als zijn ogen vollopen legt hij een zakdoek over zijn gezicht. We zijn bang en we bidden, huilen en zingen maar voor allerlei mensen die nog lang niet dood zijn.

Richard Jongeneelen

foto Mieke Briers Foto: Mieke Briers

Richard Jongeneelen (BE, 1991) is scenarioschrijver en essayist. Zijn werk verscheen eerder o.a. bij deFusie, rekto:verso en EXPOSED

Reacties

 
Geen reacties.
 

Reageer


U kunt de volgende html-tags gebruikem: <a><br><strong><em><blockquote><pre><code><ul><ol><li>


CAPTCHA Image
Reload Image