logo Slow Writing Lab

Platform voor jong schrijftalent

Hokjesmensen - 14.02.2017

Op verschillende plekken in de wereld zitten mensen aan deuren. Meestal is dat nodig. Liefst is daar ook over nagedacht. Een brede portier bij een beruchte club. Een meerdere talenkenner bij een ambassade of een geboren parademaker bij een circus. Bij zes synagogen in Krakau zitten aan de ingang ook mensen. Als je binnenkomt zijn ze er vrijwel meteen. Ze vragen je om het gebruikelijke tientje, dat uitsluitend besteed zal worden aan restauratiewerken. Als je bedenkt hoeveel honderdduizenden toeristen de synagogen jaarlijks bezoeken, hadden ze al lang zes nieuwe kunnen bouwen. Voorzien van alle moderne noden. Maar de mensen bij de deur, de hokjesmensen, moeten ook beloond worden. Voor hun eervolle werk en gepassioneerde toewijding. ‘s winters zitten sommigen de hele dag in een ruimte van twee bij drie zonder ramen. Op hun bureau niets dan een geldkluisje en een waterkoker. De deurwachter van de Tempel synagoge, de meest kitscherige van de zes, lijkt een beetje op een levende winterversie van Barbie, die zich met de feestdagen heeft laten gaan. Geblondeerd, smartphone vergroeid met haar vingers en een jas met neppe bontkraag. Ze draagt van die zachte bruine laarzen, die mensen zoals zij bij wet niet zouden mogen dragen.  

Het interesseert Barbie niet waarom ik naar deze plek kom. Enkel het heilige tientje telt. En dan snel terug naar de treurnis van de sleur. Van de waterkoker naar het geldkluisje. Warm ingepakt met een deken over de beentjes, wacht ze de hele dag geduldig op de volgende donatie. ’s Avonds even luchten, de vloer dweilen en foldertjes ordenen. Tientje verdiend. Dat het geld niet enkel naar de restauratie gaat is in de Tempel synagoge goed te zien. Op de tweede verdieping is het gebouw massaal gestut met lange ijzeren staven. Hier en daar brokkelen stukken van grote pilaren af, die van kalksteen lijken gemaakt. Het interieur is goedkoop opgeleukt met veel rood en goud, assorti met de smaak van Barbie. Aan het einde van de dag is het poppenhuis steevast van haar en haar alleen. Dan draait ze tijdens het schoonmaken Rihanna op een draagbare speaker en danst wild. Om alle opgespaarde energie die bij haar zittend beroep komt kijken totaal de vrije loop te laten.  

Bij de Remuh synagoge, waar ook een eeuwenoud Joods kerkhof aan verbonden is, zit aan de ingang een ex-gevangene. Zo’n vijftiger met een geblokt postuur en een ketting die uit zijn broek hangt. Daaraan de sleutels van de synagoge, het oude kerkhof en vast nog tal van andere heilige plekken. In het voorportaal praat Bokser met drie van zijn vrienden, die in een strategische formatie om hem heen lijken te staan. Ze zijn twee koppen groter dan hij en dragen zwarte militaire outfits. Als ik binnenkom lijk ik hen grondig te storen. Bokser draagt een leuk keppeltje, maar niet met trots. Het is hier verplicht, dus geeft hij maar het voorbeeld. Dat ding op je kop of je komt er niet in. Naast hem een plastic bak met vrolijk gekleurde, papieren exemplaren. De binnenkant vol opgedroogde resten haarlak en dode luizen. Ik bedank ervoor. De sfeer verandert en de soldaten vallen stil. Ze kijken naar me alsof ik verdacht ben en lijken na te denken over een gepaste wurggreep. Bokser mompelt iets onverstaanbaars in het Pools. Iets als ‘’Daar gaan we weer.’’ Even kan ik de outfits van de soldaten horen kraken. Alsof het wantrouwen zich in hun spieren nestelt. We kijken elkaar niet aan, horen enkel hoe er adem wordt gehaald. Misschien wachten ze tot ik het keppeltje uit mijn tas haal en vol trots op mijn hoofd zet. Dus besluit ik eerst de synagoge in te lopen, met hun blikken in mijn nek. Het keppeltje was een kerstgeschenk van mijn lief. Wellicht totaal verboden het als goj te dragen, dus doe ik het ook maar niet. Enkel als het moet of binnenshuis, waar niemand me ervoor kan straffen.

Van de zeven synagogen is Remuh de kleinste. Als ik binnenkom vraag ik me af waar de deur naar de eigenlijke synagoge zich bevindt. De gehele ruimte is even groot als een klaslokaal. In het midden een Bima, waar de torahrollen worden gelezen. Het ziet er in iedere synagoge net weer even anders uit. De ene keer is het een verhoogd podium met een houten omheining en twee duur beklede stoelen. De andere keer een zware ijzeren kooiconstructie met een poortje en twee houten kerkbanken. Meestal her en der boekjes met Hebreeuwse teksten, verspreid door de ruimte. Er is maar weinig te zien in deze kleine synagoge. Geen religieuze voorwerpen in vitrines, aangrijpende foto exposities of historische achtergrondinformatie. Als ik op de koude binnenplaats weg wil, blijkt de poort op slot. Straks de hele nacht opgesloten in de binnenplaats van dit oude Joodse gebedshuis. Waar op het aanliggende kerkhof bekende orthodoxe Rabbijnen begraven liggen. Waar op een dag zo’n tachtig jaar geleden een groepje Duitsers kwam aanzetten en de plek tot opslagplaats voor ammunitie werd gebombardeerd. Waar de lichamen liggen van Joodse mensen die in 1946 eindelijk dachten veilig te zijn. Die op hun weg naar huis toch nog vlug door Poolse buren werden opgejaagd en gedood. ‘’Onderkoelde atheïst gevonden op heilige binnenplaats’’. Je mag er niet aan denken. Terwijl ik even later de enorme sleutelbos van Bokser bewonder, loop ik met hem langs de poort van het kerkhof.
‘’Is het kerkhof dicht vandaag?’’
‘’Ja,’’ zegt Bokser.
‘’Op welke dagen is het normaal wel open?’’
‘’Op alle dagen,’’ besluit hij. 
De poort wordt voor me open gehouden, net ver genoeg zodat ik erdoor pas. Bokser kauwt luid smakkend kauwgom en blaast koude wolkjes met muntgeur. Terwijl ik de synagoge verlaat heb ik het gevoel dat ik zijn werk veel beter zou doen.

Aan het einde van iedere dag gebruikt Bokser zijn sleutelbos vast voor één van de geheime kamers in de synagoge. Tot fitnessruimte gebombardeerd door kolonel Bokser en zijn garnizoen. Waar hij op kosten van de Joodse gemeenschap traint, zich voorbereidt op een nationalistische manifestatie in de hoofdstad. ’s Avonds verlaat hij bezweet het domein, sluit de poort en loopt met zijn tas vol gewichten een blokje om naar de Tempel synagoge. Daar wacht Barbie hem op. Haastig pakt ze kleine prullen in een tasje waar dat alles nooit in zal passen. Hunkerend haar benen los te kunnen gooien in de club. Ze trilt al bij de gedachte eraan. Hoe ze zoenen en rokend aan elkaars lijf hangen. De gedachte daaraan is wat hen de hele dag in hun hokjes op de been houdt. Hand in hand halen ze kebab, ergens ver weg van hun werkplekken vandaan. Overal, als het maar niet in de Joodse wijk hoeft. Barbie en Bokser gieten elkaar vol bier of gin en laten de dag ervoor even achter zich. Een dag vol papieren keppeltjes uitdelen en liegen over restauratiewerken. Op de monotone beats van een plaatselijke dj, zweten ze in slow-motion een zelfverzonnen choreografie uit hun lijf. De pijnlijke ochtend erna stuurt Barbie vanuit haar hokje een sms naar Bokser. Dat het zo stil is. Dat ze dat haat.

Voor de rest van de week blijven Bokser en Barbie liegen tegen betaling. Op sommige dagen doet Bokser het poortje naar het kerkhof gewoon op slot. Steevast zegt hij dan tegen iedereen dat het kerkhof net die dag gesloten is. Er is op zulke dagen niemand die hem wantrouwt. Niemand die hem erop aanspreekt. En het spaart hem bovenal een hele hoop gedoe. Anders zou hij de hele dag door voor het minste probleem ook nog naar buiten moeten. Om het één en ander op te lossen tussen de graven. Zijn baan is zo al veeleisend en verantwoordelijk genoeg. Bovendien wordt hij er niet jonger op. De kou gaat hem steeds meer tegenstaan. Mensen die de graven van hun voorouders willen aanraken deren hem niet. Laat hen maar naar Israël gaan, denkt Bokser. Daar zijn genoeg begraafplaatsen. Dat ze hem maar met rust laten. Met hun eeuwige wroeten in dat zere verleden. Dat doet hij toch ook niet. En het is niet alsof Bokser zich daar minder mens door voelt. Integendeel zelfs. Als iedereen wat meer in het nu zou leven en wat minder met zijn hoofd in het verleden, zou alles er volgens Bokser een flink stuk makkelijker aan toe gaan. Een kaartje kopen om de synagoge te zien, prima. Maar niet ook nog dat kerkhof erbij. Daar betalen ze hem echt veel te weinig voor.

Een paar dagen later staat er een overdekt kraampje opgesteld bij de ingang van de synagoge.  Er liggen bezwete keppeltjes en bundeltjes van toegangstickets, blauw en in de vorm van een biljet van tien Poolse złoty. Met erop geschreven dat het tientje veilig aan de restauratie besteed zal worden. Even wil ik een bundeltje in mijn jaszak stoppen, er is toch niemand. Als ik bijna door de poort van het kerkhof ben gelopen komt Bokser.
‘’Mag je gewoon naar binnen?’’
'’Er moet betaald worden.’’

De volgende keer zal ik opnieuw een tientje betalen. Opnieuw zal ik lezen wat er op het toegangsticket staat. Dat het geld naar restauratiewerken gaat. Dan zal ik hem vragen me te laten zien waar ze op dat moment aan werken. Waar mijn geld concreet naartoe gaat. Bij Barbie zal ik hetzelfde doen. Als ze zegt dat het niet kan of mag, zal ik aan haar blijven trekken. Haar gebieden me gratis rond te leiden. Het is net als met waterputten. Dan willen donateurs ook zien dat het gat gegraven wordt. Op z’n minst foto’s. Anders kunnen ze hun geld net zo goed in de put gooien. Of in de lucht. Niemand gooit zonder reden geld in de lucht. Enkel rappers in hun zelf geknutselde video’s.

De volgende keer zal ik Barbie vragen of ze me een goed boek kan adviseren over de Joodse geschiedenis van Krakau. Of ze geen interessant verhaal kan vertellen over de restauratiewerken van de Tempel synagoge in de jaren tachtig. De plek waar ze vandaag werkt. Wat er na de Tweede Wereldoorlog concreet met het gebouw gebeurde. Met een map vol informatie en een notitieblok zal ik aan haar lippen hangen. En plots zal ze stil zijn. Me wegsturen met een sleutelhanger in de vorm van een Davidster. Hoogstwaarschijnlijk met een foldertje, waar alles piekfijn in staat uitgelegd.

Deurwachter in één van de zeven synagogen. In de Poolse stad waar honderden jaren lang Joodse mensen in harmonie met anderen leefden. In een wijk die hen werd geschonken en later bruut ontnomen. Die velen nu met moeite weer aan de Joodse gemeenschap terug willen geven. Waar Barbie onderdeel van uit mag maken, al doet het haar niks. Dus noem maar gauw wat titels en begin maar te vertellen, anders ben je bij deze ontslagen. Dan neem ik je baan wel over. Wil ik nu graag ingewerkt worden. Als Bokser erachter komt zal ik klaar zijn. Hij zal ook uitgehoord worden. Over zijn ambities en zijn passies. Waarom hij doet wat hij doet. Of hij het één en ander eigenlijk wel beseft. Als hij wil vechten zullen we dat doen. En samen zullen we er wel uit komen. Aan het einde van die week wordt ik benoemd. Zij zullen een kebabzaak starten. Nooit meer worden toegelaten tot één van de zeven synagogen. Hun namen zullen nergens vermeld staan. Ze zullen worden vergeten. Op verschillende plekken in de wereld zitten mensen aan deuren. Meestal is dat nodig. Liefst is daar ook over nagedacht.   

Richard Jongeneelen

foto Mieke Briers Foto: Mieke Briers

Richard Jongeneelen (BE, 1991) is scenarioschrijver en essayist. Zijn werk verscheen eerder o.a. bij deFusie, rekto:verso en EXPOSED

Reacties

 
Geen reacties.
 

Reageer


U kunt de volgende html-tags gebruikem: <a><br><strong><em><blockquote><pre><code><ul><ol><li>


CAPTCHA Image
Reload Image